Libertà – Christine Bax

Christine Bax
Writer / artist
1991 NL
Based in Turin and Venice, IT

Autonomous writing shaped like a guided tour based on Libertà. 2019

Nederlands / English / Italiano

Het ruimteschip
Een wandeling door Libertà tussen 05:30 en 21:00

Venetië is vierdimensionaal: tijd en ruimte bewegen er anders dan in de rest van de wereld. Haar bewoners weten het, haar bezoekers vermoeden het. Waar in de normale wereld een halfuur in de wachtkamer van de tandarts langer lijkt te duren dan een volle week aan het strand, haalt de tijd in Venetië voortdurend dit soort geintjes uit: tijd holt en stuitert er, en besluit dan plotseling om lekker in een hoekje te gaan liggen slapen.

Illusies van betere, vervlogen tijden steken de kop op door het ontbreken van auto’s: spelende honden op een plein, zorgeloos voetballende kinderen die de onafgedekte tombes van oude edelen met vergeten namen als doel gebruiken. Een vloekende oude dame probeert haar volle boodschappentas over een brug te sjouwen – een netwerk van tanige rimpels op haar voorhoofd, gelooid door jaren van felle zon, haar fijne witte wenkbrauwen verwrongen in een frons die vertaald kan worden als zowel nijdig als melancholisch omdat ze weet dat na iedere brug een volgende wacht – zowel in haar dagelijkse logistiek als in het leven. Haar tas zit vol rode witlof, stokvis, rattenverdelger, en flessen wijn die vrolijk tegen elkaar aan rammelen. Iedere tree van deze brug kost haar een paar jaar van haar leven, elke dag opnieuw. In gedachten ziet ze die jaren weghuppelen op korte pootjes, stuk voor stuk. Eentje kijkt nog snel even achterom en steekt zijn tong naar haar uit. Eenmaal bovenaan de brug blijft de dame een moment staan, zichzelf voorhoudend dat de weg naar beneden makkelijker is. Ze zet haar tas op de grond, haar handpalmen masseren haar pijnlijke rug, totdat een groepje energieke toeristen haar maant om opzij te gaan voor een foto van blauwgroen water en de rode bladderende muren van de huizen aan weerskanten. Er worden tegenwoordig selfie-sticks gemaakt die breder zijn dan de smalste steeg: 52 centimeter – een flinke vis.
‘Sboro…sboro…’, fluit het zachtjes vanaf haar tong langs haar dunne lippen, als een ritselend zuchtje wind over zout water. Venetiaanse vloeken zijn melodieus en monotoon als een opwindmolentje. ‘De honden van je voorouders.’ ‘Het varken van Troje.’ ‘Ga toch terug naar je mama’s Mona.’

Op de hoek kruist het oude dametje een pakketbezorger – ook al zo zongebruind, de huid op zijn wangen en neus roodachtig, tatoeages op zijn armen. Zijn postuur is groot en breed, als een wandelende rechthoek. Op het eerste gezicht lijkt de bevolking van deze stad vrijwel geheel te bestaan uit oude, vloekende dametjes en sterke mannen met scheepstoeterstemmen. Het stemgeluid van mannen en vrouwen lijkt op elkaar te zijn aangepast: de vrouwen spreken op hoge, schelle toon. De mannen laag, luid, en zangerig als heen- en weer slaande golven. Caprone en capra: een hoog-gespitste ‘mihihihihihi’, en een lage, grommende ‘mahahahah’ Dankzij die verschillende frequenties is iedereen – op zijn eigen manier – tegelijkertijd te verstaan.

De pakketbezorger stampt over de kade, gebruinde kuiten in korte broek en stevige schoenen. Ondanks zijn praktische missie – de zware metalen fusten bier en glazen tienliterflessen wijn vanaf de bezorgboot naar de bar dragen – verliest hij nooit het bewustzijn van de schoonheid om hem heen. ‘Sboro…’ ritselt er langs zijn lippen, iedere dag opnieuw, want vanaf deze kade lijkt de stad op een zeepbel; luchtspiegelingen van kleine eilandjes in de verte, vlak voorbij de horizon. Bleekblauwe, gele en groene luchten bij zonsopkomst, dieprood, feloranje en donkerblauw bij zonsondergang – een illusie die ieder moment uiteen lijkt te kunnen spatten. Maar bij nadere bestudering blijkt de zeepbel uit glas te bestaan – haar kern slechts van een afstand zichtbaar voor de bezoekers – vervormd bovendien tot surrealistische bogen – het ware Venetië alleen doorgrond door haar bewoners.

Hordes voeten, pijnlijk van het vele lopen, gezwollen door hoogwater in gymschoenen, stampen door de straten. De lucht is doordrenkt met een geur van zout, zweet, zonnebrandcrème, algen, vis, weeïg laagwater in de kanalen. De echte Venetianen (Bepi, Nane, Pipo, Alvise, Dele, Cia, Fosca en Marco) raken er langzaam maar zeker van overtuigd dat het misschien beter was als de Ponte della Libertà werd opgeblazen om de hordes buiten de deur te houden. Dat is natuurlijk een grap, ja ja, maar wel een oprechte. Er zitten holtes in de brug, die precies voor dat doel – het opblazen – zijn ontworpen. Tegelijkertijd verhuren deze echte Venetianen hun huis op AirBnb.
“Eentje meer maakt het verschil toch niet. Kijk dan… kijk…” – een weids handgebaar – duizenden mensen op een hete kade. Misschien hebben ze daarmee een punt. Of: die punt is juist het begin, gevolgd door een heleboel andere punten: Caprone, Capra, en hun kudde.

Maar rond een uur of 11 ’s avonds is plotsklaps alles voorbij, en verzinken de wijken rond San Marco en Rialto in een doodse stilte – de steegjes verlaten als de holle kammen van een visgraat. Een eenzame voorbijganger – een bewoner, een toerist of een student? In deze verlatenheid maakt het niet uit wie het is – vraagt zich af of hij op dit moment opgelucht moet zijn vanwege de rust, of juist treurig, omdat dit vroegere centrum van de wereldhandel (en dus de wereld?) is verworden tot een nachtelijk kerkhof. Op dit moment, in deze nacht, ziet de voorbijganger Venetië niet slechts als Venetië – eerder als een afspiegeling van de rest van de wereld. Dat is het effect van de glazen zeepbel. Zowel de binnen- als de buitenkant zijn realiteit.

In de donkere kerken hangen stil de doeken van Tintoretto, Tiziano, Carpaccio. Op Zattere is er de herinnering aan Brodsky, op Lido die aan Thomas Mann. In alle afbrokkelende stenen, langzaam verteerd door zoutwaterkristallen, is er de herinnering aan Ruskin, die al in 1851 – deels treurig, deels verheugd – voorspelde dat de stad spoedig zou smelten als een klontje suiker in een kop hete thee.

De stad is als een gigantisch ruimteschip, zwevend in een hol niets. In Nederland kennen we het spreekwoord: “Koop een boot, werk je dood.” Een schip vergt zorgvuldig onderhoud tot in de eeuwigheid. Anders barst het, en zinkt. Het ruimteschip heeft geen missie en geen richting, behalve dat het behouden moet blijven, over dat laatste is iedereen het eens, over de manier waarop bestaan meer verschillende antwoorden dan dat er inwoners zijn.

Venetië is talloze keren afgebeeld en omschreven. Het papier dat eraan besteed is, is in volume waarschijnlijk groter dan de stad zelf. Het is het thuis van kunstenaars en filmmakers, schrijvers en dichters, doges en krijgsheren uit een ver verleden, en de luchtreinigingssytemen- zonnepanelen- en biobananenhandelaars van vandaag. Er zijn de Biënnales, die ieder jaar nieuwe makers naar de stad halen, al is het maar voor even. Er zijn de falende waterweringsprojecten, die alles dreigen af te brokkelen. Er is een binnen en een buiten, een onder en een boven, een vroeger, nu en morgen dat gelijktijdig evenveel belang heeft. De bewoners zien dingen over het hoofd die de bezoekers dadelijk opmerken, en vice versa.

Door die veelheid bestaat er geen juiste manier om dit ruimteschip volledig waarheidsgetrouw weer te geven. Er zijn geen kaarten die alle steegjes omvatten, en digitale middelen – GoogleMaps, tracking, DigitalCompass, HiTide, WindDirectionSurfer – haperen er, waardoor zelfs Bepi, Nane, Pipo, Dele, Alvise, Cia, Fosca en Marco nog weleens verdwalen, al zullen ze dat nooit openlijk bekennen. De meest accurate manier is ‘de wandeling’, door de subjectieve lens van de wandelaar in kwestie. Dat is precies wat Libertà doet: het nodigt de toeschouwers uit om verschillende routes te nemen, en Venetië te bekijken door de ogen van verschillende wandelaars: jong en oud, uit Venetië of daarbuiten.

Maarten van Aken
– ‘Libertà I’ en ‘Libertà II’ – schilderijen, olie op canvas –

05:30 – Ik loop graag over straat als het vroeg is. Er is niemand, behalve de vissers langs de kade, de vuilnismannen en een vrouw die een foto probeert te maken. Ze is voorbereid alsof ze op jacht is: haar ogen staan scherp, in haar professioneel uitziende koffer heeft ze een scala aan lenzen. Ze staat op het punt om te schieten. De maan is helder vanachter de doforanje daken van de huizen, als een grote sinaasappel. Aan de andere kant van de hemel komt de zon op – bleek, hel en geel tegen een witgroene lucht. De zon is niet helemaal rond, door trillingen in de verte; eerder ovaal als een citroen. De vrouw – grommend en snuivend van de concentratie – doet Heel Erg haar best om de sinaasappel en de citroen te vangen op haar lens. Wonderbaarlijk zeg, die twee stukken citrusfruit aan de hemel. Dit wil ze met iedereen delen. Alleen: met bepaalde soorten licht is dat lastig. Als het haar zou lukken, zou iemand van buitenaf überhaupt geloven dat dit soort licht echt bestaat?
‘Welke filter heb je gebruikt?’
De filter van de zeepbel, de slaap in mijn ooghoeken, en het geruis van de stilte.

Een triomfantelijke uitspraak van mijn vroegere docent kunstgeschiedenis was: “Schilderkunst is als een kakkerlak. Iedere keer dat je denkt dat je hem eindelijk dood hebt getrapt, komt hij weer tot leven.” Juist door de opkomst van digitale fotografie, heeft schilderkunst een nieuwe relevantie gekregen. Er zijn zoveel soorten licht die de fotograaf-jager nooit zal kunnen vangen: vloeibaar licht, kruimelig licht – alsof het zojuist is aangebracht met een poederdons, metaalachtig, koud licht, dat eruitziet alsof je er een ei op stuk kan gooien – zo hard en dik is het. Het is haast ironisch dat deze vluchtige soorten licht zich voornamelijk laten vangen in fysieke massa – aarde, kalkpoeder, zand en zink. Er zijn dikke, plakkaten vegen voor nodig, korrelige bodems, zachte, waterige tonen in contrast met stugge klonten opdrogende olie. Het schilderij wordt zo een rondleiding-door-het-licht, gegeven door een geoefend oog.

Marika Meoli
– Site Specific Project –

05:50 – Bij zonsopkomst zijn de straten stil op een afwachtende manier, niet doods zoals in de nacht. Wat gaat er vandaag gebeuren?

Aan het ochtendlicht in deze video te zien, is het een uur of vijf, zes. Marika Meoli en Jessica Eirado Enes voeren een dans uit in een lege straat, met de hand gefilmd door een digitale camera. De blote voeten van de dansers komen nauwkeurig in beeld. Ze maken de bodem haast voelbaar voor de toeschouwer; stenen, nog koud van de nacht ervoor. Het gekraak van kleine zandkorreltjes onder een hiel. Om een van de tenen zit verband – van het vele dansen? Lopen? Of door een scherp object op de grond, een glasscherf, een roestige spijker? Halverwege de video komen de eerste voorbijgangers langs. In feite ben je hier nooit echt alleen. Daarvoor is de stad te dichtbevolkt. De voorbijgangers zijn nieuwsgierig, maar ze storen niet. Op de gezichten van de dansende vrouwen is concentratie te lezen. Ze hebben niet in de gaten dat ze bekeken worden.

Ria Geerdink

12:10 – 2500 parels op rijstpapier vormen een balans tussen twee uitersten: fragiel en stevig, vluchtig knisperend en waterachtig zwaar, mat en weerkaatsend. Het dunne papier is versterkt met acryl, zodat de parels er niet af vallen. De parels hangen in een put. Als het water hoog zou stijgen – hoger dan normaal, bijvoorbeeld zoals in 1966 – zou het papier smelten, en dwarrelden de parels naar beneden in het vuile water. Venetië heeft geen riolering. Ze zinken zachtjes weg in de klei.

Gryanne Stunnenberg
– ‘Herringbone’ (Mestre),‘Cross’ (Mestre), ‘OBI’ (Mestre), ‘Tipped (Mestre), ‘Round’ (Venice), ‘Cloud’ (Venice), ‘Cut’ (Mestre),‘Rectangle (Venice) – Foto’s op forex

18:00 – Venetië en Mestre zijn broertjes. Conform hun karakter zweven ze ergens in de tienerleeftijd – de ene is een jaar of 15, 16, de andere 17 of 18. De meest simplistische benadering is dat Venetië de knappe, slimme van de twee is, en Mestre de lelijke goedzak – maar niets is wat het lijkt. Deze broertjes zijn niet, zoals een Siamese tweeling, aan-elkaar-vast geboren. Ze zijn op een onnatuurlijke manier – “met geweld”, zouden de echte Venetianen zeggen – aan elkaar genaaid. Ge-naaid!
Waarschijnlijk beschouwen ouders Broertje Venetië als het modelkind, met zijn hoge cijfers op het Liceo Classico, zijn charismatische karakter, uitstekende prestaties bij het roeien, zwemmen, zeilen, rugby en voetbal, zijn artistieke kwaliteiten, zijn grote blauwe ogen, zijn engelachtige blonde lokken. Tegenover Mestre raken de ouders ieder jaar slechter op hun gemak, omdat hij hen eraan herinnert dat ouders geen voorkeur dienen te hebben voor een van hun kinderen. Misschien geven ze hem cadeautjes om zichzelf te verlossen van dat rare, knagende gevoel, dat ze in rationeel opzicht niet kunnen (of durven) te plaatsen: een scooter, kaartjes voor de bioscoop, merkschoenen, of de elektrische gitaar waar Mestre al jaren om zeurt. Of ze vragen hem om simpele klusjes te doen, zoals koffie inschenken en lepeltjes wassen, terwijl de rest van de verjaardagsvisite zich enthousiast uitlaat over Venetië’s resultaten tijdens de schoolexamens, sportwedstrijden, en wat-dan-ook-nog-meer. Van Venetië’s gezicht is niet af te lezen of hij al die complimenten prettig vindt, of juist gênant. Hij is een marmeren standbeeld, vastgeprikt op zijn stoel in het midden van de woonkamer, om zijn lippen de schaduw van een glimlach. Wat hij eigenlijk denkt valt alleen te raden. (Pfff, jullie allemaal… achter de Ponte della Libertà is alles platteland. Als de Ponte della Libertà zou ontploffen, dan was Europa een eiland, niet ik.) Op de tafel staan plastic imitatie-champagneglaasjes met bubbelende Prosecco en een grote taart met 16 kaarsjes. Hoera.

Mestre rookt ondertussen een sigaret uit het keukenraampje. Zijn schichtige blik en handgebaren verraden dat hij een stiekeme roker is. Niemand let op hem. Dat is vrijheid. (Hun Siamese verbinding laat het hen overigens toe om zich in verschillende kamers te begeven. Misschien heeft het de vorm van een lange navelstreng of zoiets, of een uitgerekt ledemaat dat over de vloer achter hen aan sleept.) Mestre hoort de complimenten vanuit de andere ruimte. Hij glimlacht, zachtjes. Niets is wat het lijkt. Vannacht is er een rockconcert in de bunker. Niemand zal het horen als hij door de achterdeur naar buiten sluipt, de gitaarkoffer op zijn rug, klaar om de show te stelen. Het enige probleem: hoe krijgt hij Venetië zo ver om met hem mee te gaan?

Paloma Leyton, Anja Dimitrijevic, Michele Deiana, Laura Santini, V.E.R.V. (Venice Electroacustic Rendez-Vous), Lucrezia Stenico
– Interdial. Barene. – Screendance 15’00 – Lio Piccolo –

20:15 – Alles is relatief. De reis tussen Mestre en Milaan is verder in afstand dan de reis tussen Mestre en de uithoeken van de lagune. Maar desondanks duurt de reis tussen Mestre en Milaan minder lang.

Deze film is gemaakt in zo’n uithoek van de lagune, bij Lio Piccolo, een klein dorpje naast Cavallo tre Porti. In tegenstelling tot de stad, is het water is hier brandschoon – gezuiverd door kokkels, mossels, oesters en zeeslak. De eilanden wandelen er nog loom. Het eiland dat je ziet, verschuift een aantal centimeters per jaar. Het eiland erachter draait langzaam maar zeker diagonaal om zijn eigen as. Het ene eiland groeit in de loop der tijd; het andere krimpt. Deze ‘wandelende eilanden’ hebben zeker gevolgen voor de bereikbaarheid. De lagune is hier een doolhof, met diepe punten en ondiepe.

Een feloranje lucht betekent zonsondergang. Een oranje of rode lucht wijst op een hoge waterconcentratie, waardoor het zonlicht gefilterd wordt. Waarschijnlijk is er morgen regen.

De film bestaat uit een serie interventies in dit landschap, waar het lijkt alsof de tijd er heeft stilgestaan. Door het ondoorzichtige water, op sommige plekken haast melkachtig, is het moeilijk te zien waar het diep is en waar niet. Iedere interventie – dans, muziek, acrobatiek – laat zien hoe de maker van deze interventie zich verhoudt tot het landschap.

Sofie Kokas
– ‘Café’ en ‘The Door’ – Foto’s op gatorboard –

21:00 – De stad is zo anders als alle kleur ontbreekt: realistischer, en tegelijkertijd onecht. Dat heeft alles te maken met de afwezigheid van Venetië’s droomlicht. Lijnen nemen het speelveld over: nooit recht, en nooit volledig stabiel, simpelweg omdat er hier geen rechte, stabiele gebouwen bestaan. Opnieuw is tijd de enige houvast.

Twee zwart-wit foto’s: de eerste toont het oudste koffiehuis ter wereld – Florian. De tweede toont een verlaten toilet in een vervallen gebouw. In beide foto’s is de herinnering van beweging aanwezig; in Florian de herinnering van muziek, de Venetianen van de 19e eeuw, die er hun politieke discussies voerden, flirtten, gokten, dronken, en pronkten. In het verlaten gebouw is er de beweging van het verval. Is dat proces begonnen op het moment waarop de laatste bewoner besloot om terug te keren naar het vaste land?

Een Venetiaanse schrijver vergeleek ooit de stad met een vis die vastzit aan een haak. (De vislijn is Ponte della Libertà.) Natuurlijkerwijs zouden de eilanden moeten verschuiven in de loop van de tijd: de golfstroom raapt zand en steentjes op aan de ene kant van het eiland, en legt ze neer aan de andere. Maar door de bebouwing zitten de eilanden gevangen, pas op de plaats. Het contrast tussen die twee veroorzaakt frictie; het gevoel dat er meer aan de hand is dan we op dit moment met het blote oog kunnen zien.

The Space Ship
A walk through Libertà between 05.30 am and 21.00 pm

Venice is a four-dimensional city: time and space move differently from anywhere else. Its inhabitants know this; its visitors suspect it. In the regular world, half an hour in the dentist waiting room seems to last longer than a full week on a sunny beach. In Venice, time continuously makes these kinds of jokes: time races and bounces, until it suddenly decides to crawl into a corner and fall asleep.

Illusions of long-lost-but-better times arise, because of the absence of cars: happy dogs greet each other in a square. Carefree children play football. Their goal is the open tomb of a nobleman whose name has long been forgotten. A cursing elderly lady tries to lift her heavy shopping bag over a bridge. Her back is bent like a fisherman’s hook. A network of fine wrinkles lies on her forehead, tanned by years of bright sunlight. Her thin white eyebrows are bent into a frown that can be translated both as pissed off and melancholic, because she knows that after each bridge waits another, both in her daily logistics as in life.
Her bag is stuffed with red chicory, stock fish, rat exterminator, and bottles of wine that rattle cheerfully against each other. Every step on this damned bridge costs her years of her life. In her mind’s eye, she sees them running away, those years, on their short little legs, one by one. The last year quickly turns around, sticks out its tongue at her, and then runs after the rest.
Once she reaches the top, she stands still, just for a while, telling herself that going down will be easier. She puts the bag on the ground, her hands massaging her painful lower back, until a group of energetic tourists summon her to move over, because they want to make a picture of the blue-green water and the red flaking walls on each side. They think she’s out of tone with all that beauty; they think wrong. These days, selfie sticks are being produced that reach wider than the narrowest alley: 52 centimeters – the size of a relatively big fish.
‘Sboro…sboro…’, softly whistles from the elderly lady’s tongue past her thin lips, like rustling wind floating over salty water. Venetian curses are melodious but monotone, like a music box. ‘Cursed be your ancestors’ dogs.’ ‘Troy’s pig.’ ‘May you return to your mother Mona.’

At the corner of the street, the lady’s path crosses that of a deliveryman – tanned like she is, the skin on his cheeks and around his nose reddish, tattoos on his arms. His posture is large and wide, like a walking rectangle.

At first glance, the population of this city seems to consist almost entirely of elderly, cursing ladies and strong men with the vocal strength of a fog horn. Male and female voices seem to have adjusted to each other over time: the women speak in a high-pitched shrill tone. The men are low, loud, like waves crashing back and forth against a ship. Caprone and capra: a sporan-like “mihihihihihi”, and a low, growling “mahahahah” Thanks to these different frequencies, everyone – in their own way – can be understood simultaneously.

The deliveryman stomps over the quay, with tanned calves in shorts and sturdy shoes. Despite his practical mission – carrying heavy metal casks of beer and glass ten-liter bottles of wine from the delivery boat to the bar – he never loses consciousness of the beauty around him.
“Sboro …” rustles along his lips, every day again, because from this quay the city looks like a soap bubble; mirages of small islands in the distance, just beyond the horizon. Pale blue, yellow and green skies at sunrise, deep red, bright orange and dark blue at sunset – an illusion that seems to be able to burst apart at any moment. But upon closer examination, the bubble appears to be made of glass.

Hordes of feet, painful from walking, swollen by high water in sneakers, stomping through the streets. The air is infused with a scent of salt, sweat, sunscreen, algae, fish, low tide in the canals. The real Venetians (Bepi, Nane, Pipo, Alvise, Dele, Cia, Fosca and Marco) are slowly but surely getting convinced that it might be better if the Ponte della Libertà were to be blown up, to keep those hordes out. That is of course a joke, yes yes, but it is a genuine one. There are holes inside of the bridge that have been designed exactly for that purpose – the blowing up. At the same time, these real Venetians rent out their house on AirBnb.
“One more doesn’t make the difference. Look then… ”- a wide arm gesture – thousands of people crowd on a hot dock. Maybe he has a point. Or: that point was actually the beginning, followed by a lot of other points: Caprone, Capra, and their herd.

But around 11 o’clock in the evening everything is suddenly over, and the neighborhoods around San Marco and Rialto sink into a dead silence – the alleys abandoned like the hollow ridges of a herringbone. A lonely passerby – a resident, a tourist or a student? In this abandoned area it doesn’t matter who it is – wonders whether he should be relieved at this moment because of the peace or, on the contrary, sad because this former center of world trade (and therefore the world?) has turned into a nocturnal cemetery.
Right now, on this night, the passerby sees Venice not just as Venice, but rather as a reflection of the rest of the world. That is the effect of the glass bubble. Both the inside and the outside are reality.

Silently, in the dark churches, hang Tintoretto, Tiziano, Carpaccio. On Zattere there is the memory of Brodsky, on Lido the one of Thomas Mann, and in all crumbling stones, slowly digested by saltwater crystals, there is the memory of Ruskin, who already in 1851 – partly sad, partly rejoiced – predicted that the city would soon would melt like a lump of sugar in a cup of hot tea.

The city is like a giant spaceship, floating inside a hollow nothingness. In the Netherlands we know the saying: “Buy a boat, work until you die.” A ship requires careful maintenance for eternity. This spaceship has no mission and no direction, except that it must be preserved, everyone agrees on that. On how to do this, there are more different answers than there are inhabitants.

Venice has been depicted and described countless times. The paper spent on it is probably larger in volume than the city itself. It is home to artists and filmmakers, writers and poets, doges and warlords from a distant past, and the air conditioning system, solar panel, and organic-banana traders of today. There are the Biennials, that bring new creatives to the city every year, if only for a while. There are the failing water protection projects that threaten to crumble everything to dust pretty soon. There is an inside and an outside, a below and an above, a past, present and future that are equally important. The residents overlook things that visitors immediately notice, and vice versa.

Because of this multitude, there is no correct way to represent this spaceship truthfully. There are no maps that cover all alleys, and digital resources falter – GoogleMaps, tracking, DigitalCompass, HiTide, WindDirectionSurfer – so that even Bepi, Nane, Alvise, Pipo, Dele, Cia, Fosca and Marco sometimes get lost (something they’d never confess openly, of course). The most accurate way to show Venice is on a walk, through the subjective lens of the walker in question. That is precisely what Libertà is doing: it invites spectators to take different routes and view Venice through the eyes of different walkers: young and old, from Venice or beyond.

Maarten van Aken
– ‘Libertà I’ en ‘Libertà II’ – paintings, oil on canvas –

May 10, 2019, 5:30 AM. I like to walk on the street when it’s early. There is nobody except the fishermen along the quay, the garbage collectors and a woman trying to take a picture. She is prepared as if she is hunting: her eyes are squinted. In her professional looking suitcase, she has a range of lenses. She’s about to shoot. The moon is clear behind the matte roofs of the houses, like a big orange. On the other side of the sky, the sun rises – pale, hell and yellow against a white-green sky. It shimmers due to vibrating damp air in the distance, like a lemon. The woman – growling and sniffing from concentration – tries Very Hard to catch the orange and lemon on her lens. Amazing, those two pieces of citrus fruit in the sky. She wants to share this with everyone. It’s just that it is difficult to capture this type of light. Moreover, if she succeeded, would anyone from outside believe that it existed at all?
‘What filter did you use?’
The filter of the glass bubble, the sleep in the corners of my eyes, and the rushing sound of silence.

It’s not enough.

A statement from my former art history teacher: “Painting is like a cockroach. Every time we think we finally kicked it to death, it comes back again, seemingly stronger than before.” (I still wonder why he picked a cockroach, and not a phoenix. Because painting can be disturbing, I guess.) Precisely because of the rise of digital photography has painting been given a new relevance. There are many kinds of light that the photographer-hunter will never be able to catch: liquid light, powdery light that looks like it has just been applied to the air with the small strokes of a puff, metallic, cold light that looks like you can smash an egg into pieces onto it – so hard and thick. It is almost ironic that such a volatile thing as light can be captured primarily in physical mass – earth, lime powder, sand and zinc. It requires thick, plaque sweeps, grainy soils, soft, watery tones in contrast with stiff lumps of drying oil. It requires time. The painting becomes a guided tour through light, given by a trained eye.

Marika Meoli
– Site Specific Project –

May 18, 2016, 5:50 AM – At sunrise, the streets are quiet in a wait-and-see way, not dead like in the night. What will happen today? they seem to think.

Looking at the morning light in this video, it probably is between five and six o’clock. Marika Meoli and Jessica Eirado Enes perform a dance in an empty street, filmed by hand through a digital camera. Their bare feet are captured accurately, making the ground almost palpable to the viewer; stones, still cold from the night before. The crackling of small sand grains under a heel. There is a bandage around one of the toes – from dancing a lot? Was the toe cut by a sharp object on the ground, a glass shatter, a rusty nail? Halfway through the video the first people pass by. In fact, you are never really alone in this city; it is too densely populated, and I’m certainly not the only person that enjoys watching the early sunrise. The passers-by are curious, but they do not disturb. Concentration can be read on the faces of the dancing women. I assume they don’t want to break it. The women twist and turn in a movement that should represent eternity. They do not realize that they are being watched.

Ria Geerdink

May 24, 2019, 12:10 – 2500 pearls on rice paper form a balance between two extremes: fragile and sturdy, fleeting crisp and watery heavy, matte and reflective. The thin paper is reinforced with acrylic, so that the pearls do not fall off. The artwork hangs in a well. If the water rose high – higher than normal, for example like in 1966 – the paper would melt, and the pearls would drip down into the dirty water. (Dirty, as Venice has no sewerage.) Then, they gently would sink into the clay.

Gryanne Stunnenberg
– ‘Herringbone’ (Mestre),‘Cross’ (Mestre), ‘OBI’ (Mestre), ‘Tipped (Mestre), ‘Round’ (Venice), ‘Cloud’ (Venice), ‘Cut’ (Mestre),‘Rectangle (Venice) – Foto’s op forex

18:30 – Venice and Mestre are brothers. In accordance with their character, they float somewhere in their teenage years, that come with all related growing pains, hormonal melancholy, and longing for a distant future. One brother is about 15, 16, the other 17 or 18. The most simplistic approach is that Venice is the handsome, smart one of the two, and Mestre ugly-but-well-meaning. Nothing is what it seems, however. The brothers are not like Siamese twins, born stuck to each other. They are sewn together in an unnatural way – “with violence” the real Venetians would say.
Their parents probably consider Brother Venice as the model child, with his high grades at the Liceo Classico, his charismatic character, excellent rowing, swimming, sailing, rugby and football performances, his artistic qualities, theatre, painting… name it, his big blue eyes, his angelic blonde locks. Towards Mestre, the parents grow less and less at ease every year; his presence reminds them that parents aren’t supposed to prefer one child over the other. Maybe they give him gifts to liberate themselves from that weird, itching feeling, that they cannot (or dare not) define rationally. A scooter, tickets to the cinema, brand-sneakers, or the electric guitar that Mestre has been nagging about for years.

Or they ask him to do simple chores, such as pouring coffee and washing spoons, while the rest of the birthday visit enthusiastically talks about Venice’s results during the school exams, sports competitions, theater plays, and whatever more. One cannot tell from Venice’s face whether he likes all those compliments, or finds them embarrassing. He is a marble statue stuck to his chair in the middle of the living room, a faint smile around his lips, his actual thoughts only guessable. (Pfff, you all… tiring as fuck… Behind the Ponte della Libertà everything is farmer man’s land, which is like no man’s land, but worse. If the Ponte della Libertà were to explode, Europe would be an island, not me… certainly not me…) On the table are plastic imitation champagne glasses with bubbling Prosecco and a large cake with 16 candles. Hurray.

Meanwhile, Mestre is smoking a cigarette from the kitchen window – his gestures and looks define him as a secret smoker. Luckily, nobody pays attention to him. That is freedom. (Their Siamese connection allows them to move into different rooms, by the way. Maybe it has the shape of a long umbilical cord or something, or a stretched limb that drags across the floor behind them.) Mestre hears all those compliments and cheering from the other room. He smiles softly. Nothing is what it seems. Tonight there is a rock concert in the bunker. Will anyone hear it when he sneaks out the back door, the guitar case on his back, ready to steal the show? He doesn’t think so. The only thing is: how to convince Venice to come along?

Paloma Leyton, Anja Dimitrijevic, Michele Deiana, Laura Santini, V.E.R.V. (Venice Electroacustic Rendez-Vous), Lucrezia Stenico
– Interdial. Barene. – Screendance 15’00 – Lio Piccolo –

Everything is relative. The journey between Mestre and Milan is farther in distance than the journey between Mestre and the far corners of the lagoon. But nevertheless the journey between Mestre and Milan is shorter time wise.

This film was made in such a remote corner of the lagoon, near Lio Piccolo, a small village next to Cavallo Tre Porti. Unlike the city, the water here is clean – purified by clams, mussels, oysters and sea snails – and the islands are still walking. The island that you see is shifting a few centimeters each year. The island behind it is turning diagonally. One island grows with the passing of time, and the other shrinks. These “wandering islands” certainly have consequences for the accessibility.

A bright orange sky means sunset. An orange or red sky indicates a high water concentration, through which the sunlight is filtered. There will probably be rain tomorrow.

The film consists of a series of interventions in this landscape, where time seems to have stood still. The lagoon here is a maze, with deep points and shallow ones, that are difficult to recognize as the water is opaque, even milky at some points. Every intervention – dance, music, acrobatics – shows how the creator of this intervention relates to the landscape. The horizon seems to be far, and yet it’s hard to tell through the camera’s angle.

Sofie Kokas
– ‘Café’ en ‘The Door’ – Photographs op gatorboard –

21:00 – This city is so different when all color is missing: more realistic, and at the same time unreal. That has everything to do with the absence of Venice’s dream light. Lines take over: never straight, though, and never completely stable – simply because there are no straight, stable buildings here. So then again, time is the only thing to hold onto.

Two black and white photos; the first shows the oldest coffee house in the world – Florian. The second shows an abandoned toilet inside of a ruin. The memory of movement is present in both photos; in Florian the memory of music, the Venetians of the 19th century, who had their political discussions there, flirted, gambled, drank, and showed off. In the ruin there is the movement of the decay, still ongoing. Did this process begin when the last resident decided to return to the mainland?

A Venetian writer once compared the city to a fish attached to a hook. (Ponte della Libertà being the fish line.) Naturally, the islands should wander over time: the gulf stream picks up sand and pebbles on one side of the island and lays them down on the other. But because of cultivation, the islands are imprisoned on one spot. This causes friction; the sensation that there is more going on than the naked eye can see.

L’Astronave
Una passeggiata attraverso la Libertà tra le 05:30 e le 21:00

Venezia è una città quadridimensionale: il tempo e lo spazio si muovono in un modo diverso da qualsiasi altro luogo. I suoi abitanti lo sanno; i suoi visitatori lo sospettano. Nel mondo normale, una mezz’ora nella sala d’aspetto del dentista sembra durare molto più a lungo di un’intera settimana su una spiaggia assolata. A Venezia, il tempo fa scherzi di questo tipo in continuazione: corre e salta fino a quando, all’improvviso, non decide di gattonare in un angolo e addormentarsi.

L’illusione di un tempo perduto, un tempo migliore, aleggia sulla città; non ci sono macchine, e i cani si salutano felici correndo per Campi e campielli. I bambini giocano a calcio spensierati, cercando di fare goal nella tomba aperta di un nobile il cui nome è stato da tempo dimenticato. Una anziana signora impreca mentre, su un ponte, cerca di sollevare una pesante borsa della spesa. La sua schiena piegata disegna un amo da pesca. Una rete di rughe sottili segna la sua fronte, abbronzata da anni di splendente luce solare. Le sue fini, bianche sopracciglia sono increspate in un cipiglio traducibile sia come incazzato che come malinconico; la vecchia signora sa che dopo ogni ponte ce n’è sempre un altro ad aspettarla, nella sua routine quotidiana come nella vita.
La sua borsa è piena di radicchio, pesce in scatola, veleno per topi e bottiglie di vino che sbattono allegramente l’una contro l’altra. Ogni passo su quel dannato ponte le costa anni di vita. Con gli occhi della mente, li vede scappare, quegli anni, sulle loro piccole gambe corte, uno dopo l’altro. L’anno appena passato si gira rapidamente, le fa la linguaccia e poi corre dietro al resto del gruppo.
Una volta raggiunta la cima del ponte si ferma, solo per un po’, il tempo di dirsi che scendere sarà più facile. Poggia la borsa a terra, le mani che massaggiano la schiena dolorante, finché un gruppo di turisti fin troppo energici le chiede di spostarsi; vogliono fare una foto dell’acqua blu-verde e dei muri rosso- scrostato. I turisti pensano che la vecchia signora sia fuori tono rispetto a tutta quella bellezza; sbagliano. Oggigiorno vengono prodotti bastoncini per selfie la cui estensione supera in ampiezza quella dei vicoli più stretti: 52 centimetri, la larghezza di un pesce relativamente grande.
“Sboro … sboro …”, fischietta delicatamente la vecchia signora, e il fischio viaggia oltre le sue labbra sottili come il fruscio del vento che galleggia sull’acqua salata. Le maledizioni veneziane sono melodiose, ma anche monotone come un carillon. “Chei cani dei to morti.” “Il maiale di Troy.” “Ea mama canarina mona dea Daria.”

All’angolo della strada, il cammino della signora incrocia quello di un fattorino – abbronzato come lei, con la pelle sulle guance e intorno al naso arrossata dal sole e tatuaggi su tutte le braccia. È largo e solido, come un rettangolo che cammina.

A prima vista, la popolazione di questa città sembra essere composta quasi interamente da donne anziane che imprecano e da uomini muscolosi con la forza vocale di un corno da nebbia. Le voci maschili e quelle femminili sembrano essersi adattate le une all’altre, nel tempo: le donne parlano con un tono acuto, penetrante. Le voci degli uomini invece sono basse, rumorose, onde che si infrangono sulla murata di una nave. Caprone e capra: un “mihihihihi” tipo sporan, e un “mahahahah” basso e ringhiante. Grazie a queste frequenze diverse ognuno – a suo modo – può essere compreso simultaneamente.

Il fattorino attraversa le Zattere, con i polpacci stretti in pantaloni aderenti e scarpe robuste. Nonostante lo scopo pratico della sua missione- trasportare, dalla barca che li ha consegnati, bottiglie di vino e barili di birra da dieci litri dalla barca al bar – non perde mai coscienza della bellezza che lo circonda.
“Sboro …” sussurrano le sue labbra, ogni giorno di nuovo, perché, da questo posto, la città sembra una bolla di sapone: appena oltre l’orizzonte, miraggi di piccole isole in lontananza e cieli blu pallido, giallo e verde all’alba, rosso intenso, arancione brillante e blu scuro al tramonto – un’illusione che sembra sul punto di scoppiare in qualsiasi momento. Ma a un esame più attento, la bolla sembra fatta di vetro.

Orde di piedi, sofferenti e gonfi dal troppo camminare, calpestano le strade. L’aria è infusa di un profumo di sale, sudore, crema solare, alghe, pesce e bassa marea nei canali. I veri veneziani (Bepi, Nane, Pipo, Alvise, Dele, Cia, Fosca e Marco) si vanno lentamente ma sempre più convincendo che sarebbe meglio se il Ponte della Libertà venisse fatto saltare in aria, per tenere fuori quelle orde di piedi molesti. Scherzano…ma non troppo. Ci sono dei buchi, nella struttura del ponte, che sono stati progettati esattamente per questo scopo: per farlo esplodere. Allo stesso tempo, questi veri veneziani non disdegnano di affittare la loro casa su AirBnb.
“Uno in più, uno in meno… non fa differenza. Guarda… “- con un ampio gesto del braccio, mostrano migliaia di persone affollate su un molo bollente.

Ma verso le 11 di sera tutto è improvvisamente finito, e i quartieri attorno a San Marco e Rialto sprofondano in un silenzio di morte – i vicoli abbandonati come spine spolpate di una lisca di pesce. Un passante solitario – un residente, un turista, o forse uno studente – in questa zona abbandonata, non importa davvero chi sia – non sa se essere sollevato per la pace e il silenzio che sono scesi sulla città o se, piuttosto, non sarebbe più giusto sentire tristezza; in fondo, quello che era il centro del commercio mondiale (e quindi il centro del mondo?) si è trasformato in un cimitero notturno.
In questo momento, in questa notte, il passante vede Venezia non solo come Venezia, ma come il riflesso del resto del mondo. Questo è l’effetto della bolla di vetro. Sia l’interno che l’esterno sono reali.

Nelle chiese buie riposano silenziosi Tintoretto, Tiziano, Carpaccio. Sulle Zattere si allunga l’ombra di Brodsky, al Lido quella di Thomas Mann, e in tutte le pietre marcescenti, lentamente digerite dai cristalli d’acqua salata, v’è inscritto il ricordo di Ruskin, che già nel 1851 – in parte triste, in parte quasi gioendo – predisse che il presto la città si sarebbe sciolta come una zolletta di zucchero in una tazza di tè caldo.

La città è come una gigantesca astronave che galleggia in un nulla cosmico. Nei Paesi Bassi conosciamo il detto: “Comprate una barca, lavorerete fino alla morte”; una nave richiede un’attenta manutenzione per l’eternità. Ma Venezia, questa nave/astronave non ha alcuna missione e nessuna direzione, se non la consapevolezza di dover essere preservata. Su questo, tutti sono d’accordo. Su come farlo, invece- su come effettivamente preservarla- ci sono più risposte che abitanti.

Venezia è stata rappresentata e descritta innumerevoli volte; la carta spesa a raccontarla è probabilmente più voluminosa ed estesa della città stessa. È stata la casa di artisti e cineasti, scrittori e poeti, dogi e signori della guerra di un lontano passato, e oggi ospita sistemi di condizionamento dell’ aria, pannelli solari e commercianti di banane biologiche. Ci sono le Biennali, che portano ogni anno nuovi artisti in città, anche se solo per un po’. Ci sono i progetti falliti per proteggersi da un’acqua che minaccia di sbriciolare tutto in polvere molto presto. C’è un dentro e un fuori, un sotto e un sopra, un passato, un presente e un futuro, tutti ugualmente importanti. I residenti trascurano le cose che i turisti notano immediatamente, e viceversa.

A causa di questa moltitudine, non c’è un modo corretto per rappresentare perfettamente questa astronave. Non ci sono mappe che traccino tutti i vicoli e le risorse digitali a Venzia vacillano – GoogleMaps, tracking, DigitalCompass, HiTide, WindDirectionSurfer -, così che a volte anche Bepi, Nane, Alvise, Pipo, Dele, Cia, Fosca e Marco si perdono (qualcosa che mai confesseranno apertamente, ovvio). Il modo più preciso per poter davvero conoscere Venezia è farlo camminando, attraverso la lente soggettiva del “camminatore” in questione. Questo è esattamente ciò che la Libertà sta facendo: invita gli spettatori a percorrere strade diverse e a vedere Venezia attraverso gli occhi di diversi “camminatori”: giovani e vecchi, di Venezia o altrove.

Maarten van Aken
– ‘Libertà I’ en ‘Libertà II’ – dipinti, olio su tela –

10 maggio 2019, 5:30. Mi piace camminare per le strade quando è presto. Non c’è nessuno tranne i pescatori lungo le zattere, i netturbini e una donna che sta cercando di fare una foto. È nella posizione di qualcuno che sta scrutandosi intorno: i suoi occhi sono socchiusi. Nella sua valigetta, dall’aspetto professionale, sono posate una gamma di lenti. Sta per scattare. La luna è chiara dietro i tetti opachi delle case, come una grande arancia. Dall’altra parte del cielo, sta sorgendo il sole – pallido, infernale e giallo contro un cielo bianco-verde. Scintilla a causa della vibrazione dell’aria umida in lontananza, come un limone. La donna – grugnando e sbuffando per la concentrazione – prova Molto Ferocemente a catturare l’arancia e il limone col suo obiettivo. Incredibili, quei due agrumi nel cielo. La donna vorrebbe poter condividere tutto questo, ma è difficile catturare questo tipo di luce. Inoltre sa che, se ci riuscisse, dall’esterno chi potrebbe mai credere che sia esistita una luce del genere?
“Che filtro hai usato?”, le chiederebbero.
Il filtro della bolla di vetro, il sonno negli angoli dei miei occhi e il suono impetuoso del silenzio.

Non è abbastanza.

Un’affermazione del mio ex insegnante di storia dell’arte: “La pittura è come uno scarafaggio. Ogni volta che pensiamo di averlo finalmente preso a calci, torna di nuovo, apparentemente più forte di prima. “(Mi chiedo ancora perché abbia scelto uno scarafaggio, e non una fenice. Perché la pittura può essere inquietante, suppongo). L’ascesa della fotografia digitale ha consegnato alla pittura una nuova importanza. Ci sono molti tipi di luce che il fotografo-cacciatore non sarà mai in grado di catturare, la luce liquida, la luce polverosa che sembra essere stata appena tratteggiata nell’aria da una mano invisibile, la luce così soffusa, metallica e fredda che sembra possa rompere il guscio di un uovo in mille pezzi – così duro e spesso. È quasi ironico che una cosa così volatile come la luce possa essere catturata principalmente da elementi così fisici, materiali – terra, polvere di calce, sabbia e zinco. La luce, per essere dipinta, richiede pennellate spesse, terra granulosa, toni morbidi e acquosi in contrasto con rigidi tratti di olio essiccato. Richiede tempo. Il dipinto diventa un tour guidato attraverso la luce, un tour dato da un occhio allenato.

Marika Meoli
– Site Specific Project –

18 maggio 2016, 5:50 AM – Al sorgere del sole, le strade cariche di un silenzio diverso da quello della notte: il silenzio dell’alba è carico di aspettativa, non morto. Cosa accadrà oggi? sembra pensare.

La luce in questo video è probabilmente la luce che c’è a maggio tra le cinque e le sei del mattino. Marika Meoli e Jessica Eirado Enes ballano in una strada deserta, e la loro danza è filmata a mano con una fotocamera digitale. I loro piedi nudi vengono catturati con precisione, e il terreno sembra quasi palpabile allo spettatore; un terreno di pietre, ancora fredde dalla notte prima, il crepitio di piccoli granelli di sabbia sotto un tacco. Una delle dita dei piedi è bendata – una ferita per il molto ballare? O magari la punta del piede è stata tagliata da un oggetto appuntito, un frammento di vetro, un chiodo arrugginito? A metà del video si vedono passare le prime persone. In effetti, non sei mai veramente solo in questa città; è troppo densamente popolata, e io non sono certamente l’unica persona a cui piace guardare l’alba. I passanti sembrano incuriositi, ma non disturbano. Sui volti delle donne danzanti si legge la concentrazione; immagino che i passanti non vogliano romperla. Le donne girano e girano in un movimento che dovrebbe rappresentare l’eternità. Non si rendono conto di essere osservate.

Ria Geerdink

24 maggio 2019, 12:10 – 2500 perle su carta di riso formano un equilibrio tra due estremi: fragile e robusto, fugacemente nitido e acquosamente pesante, opaco e riflettente. La carta sottile è rinforzata con acrilico, in modo che le perle non cadano. L’opera d’arte è appesa su di un pozzo. Se l’acqua si alzerà più in alto del normale, come nel 1966, la carta si scioglierebbe e le perle gocciolerebbero nell’acqua sporca. (Sporca dal momento che Venezia non ha fognature.) Quindi, affonderebbero dolcemente nell’argilla.

Gryanne Stunnenberg
– ‘Herringbone’ (Mestre),‘Cross’ (Mestre), ‘OBI’ (Mestre), ‘Tipped (Mestre), ‘Round’ (Venice), ‘Cloud’ (Venice), ‘Cut’ (Mestre),‘Rectangle (Venice) – Foto’s op forex

18:30 – Venezia e Mestre sono fratelli. Galleggiano, in accordo col loro carattere, in un punto sospeso della loro adolescenza, lì da dove viene la sofferenza del dover crescere, la malinconia ormonale e la nostalgia di un lontano futuro. Un fratello ha circa 15-16 anni, l’altro 17 o 18. L’approccio più semplicistico porterebbe a dire che Venezia è il bello e l’intelligente tra i due, e Mestre è il bruttino ma ben intenzionato. Niente è ciò che sembra, però. I fratelli non sono come i gemelli siamesi, nati attaccati l’un l’altro. Sono cuciti insieme in modo innaturale – “con violenza” direbbero i veri veneziani. Cu-citi!
I loro genitori, probabilmente, considerano Fratello Venezia come il bambino modello, con i suoi voti alti al Liceo Classico, il suo essere carismatico, le sue eccellenti prestazioni di canottaggio, nuoto, vela, rugby e calcio, le sue qualità artistiche, il teatro, la pittura …, i suoi grandi occhi blu, i suoi angelici boccoli biondi. Più Mestre cresce, invece, più i cresce il disagio dei suoi genitori; la sua presenza ricorda loro che i genitori non dovrebbero preferire un bambino all’altro. Probabilmente gli fanno regali per liberarsi di quella strana sensazione di prurito che non possono (o non osano) definire razionalmente. Uno scooter, biglietti per il cinema, scarpe da ginnastica di marca, la chitarra elettrica che Mestre da anni desidera.

Oppure gli chiedono di svolgere semplici faccende, come versare il caffè e lavare i cucchiai, mentre il resto degli invitati alla festa di compleanno parla con entusiasmo dei risultati di Venezia agli ultimi esami scolastici, alle competizioni sportive, alle rappresentazioni teatrali e quant’altro. Non si riesce a decifrare, dall’espressione di Venezia, se a lui facciano piacere tutti quei complimenti, o se li trova imbarazzanti. È una statua di marmo incollata alla sedia in mezzo al salotto, un debole sorriso sulle labbra, i suoi pensieri reali solo immaginabili. (Pfff, voi tutti … è così faticoso, cazzo … Dietro il Ponte della Libertà, tutto è campagna, che è come dire terra di nessuno, ma peggio… se il Ponte della Libertà dovesse esplodere, l’Europa sarebbe un’isola, non io … certamente non io …) Sul tavolo ci sono bicchieri di plastica riempiti di prosecco gorgogliante e una grande torta con 16 candele. Auguri. Salute, bessi, basi, e tempo da goder.

Nel frattempo, Mestre sta fumando una sigaretta dalla finestra della cucina – i suoi gesti e gli sguardi lo classificano come un fumatore segreto. Fortunatamente, nessuno gli presta attenzione. Questa è libertà. (Venezia e Mestre possono spostarsi in stanze diverse, nonostante la loro connessione siamese. Forse ha la forma di un lungo cordone ombelicale o qualcosa del genere, o un arto teso che si trascina sul pavimento dietro di loro.) Mestre sente tutti quei complimenti e fa il tifo da l’altra stanza. Sorride dolcemente. Niente è ciò che sembra. Stasera c’è un concerto rock nel bunker. Qualcuno lo sentirà quando uscirà di soppiatto dalla porta sul retro, con la custodia della chitarra sulla schiena, pronto a rubare lo show? Mestre non crede. L’unica cosa che si chiede è: come convincere Venezia a venire?

Paloma Leyton, Anja Dimitrijevic, Michele Deiana, Laura Santini, V.E.R.V. (Venice Electroacustic Rendez-Vous), Lucrezia Stenico
– Interdial. Barene. – Screendance 15’00 – Lio Piccolo –

Tutto è relativo. La distanza tra Mestre e Milano è maggiore che tra Mestre e gli angoli più remoti della laguna, e tuttavia il viaggio tra Mestre e Milano è più breve.

Questo film è stato realizzato in un angolo remoto della laguna, vicino Lio Piccolo, un villaggio presso Cavallo Tre Porti. A differenza della città, l’acqua qui è pulita – purificata da vongole, cozze, ostriche e lumache di mare – e le isole si stanno ancora muovendo. L’isola che vedi si sta spostando di qualche centimetro ogni anno. L’isola dietro di essa sta girando in diagonale. Un’altra isola cresce con il passare del tempo e l’altra si restringe. Queste “isole erranti” hanno certamente conseguenze nel loro essere o meno accessibili.

Un cielo arancione brillante significa tramonto. Questo tipo di arancione o rosso indica un’alta concentrazione di acqua nell’aria, attraverso cui viene filtrata la luce solare. Domani pioverà, probabilmente.

Il film consiste in una serie di performance in questo paesaggio, dove il tempo sembra essersi fermato. La laguna qui è un labirinto, con punti bassi e profondi, che sono difficili da riconoscere poiché l’acqua è opaca, persino lattiginosa. Ogni performance – danza, musica, acrobazie – mostra come il performer si rapporta al paesaggio. L’orizzonte sembra essere lontano, ma è difficile da stabilire attraverso l’obiettivo della telecamera.

Sofie Kokas
– ‘Café’ en ‘The Door’ – Fotografie su gatorboard –

21:00 – Quando manca il colore, Venezia è completamente diversa: è più realistica, e allo stesso tempo irreale. Ha tutto a che fare con l’assenza di luce. Le linee prendono il sopravvento: mai dritte, e mai completamente stabili, semplicemente perché qui non ci sono costruzioni dritte e stabili. Quindi, ancora una volta, il tempo è l’unica cosa a cui aggrapparsi. Due foto in bianco e nero; la prima mostra il più antico caffè del mondo, Florian; la seconda una toilette abbandonata all’interno di una rovina. Il ricordo del movimento è presente in entrambe le foto; in Florian il ricordo della musica, dei veneziani del 19 ° secolo che lì hanno avuto le loro discussioni politiche, hanno flirtato, giocato d’azzardo, bevuto e si sono messi in mostra. Nella foto della rovina il movimento è quello del decadimento, ancora in corso. È un processo, questo, iniziato quando l’ultimo residente ha deciso di tornare sulla terraferma?
Una scrittrice veneziana paragonò la città a un pesce attaccato ad un amo. (Il Ponte della Libertà è la spina dorsale del pesce.) Le isole dovrebbero naturalmente vagare nel tempo: la corrente del golfo raccoglie la sabbia e ciottoli su un lato dell’isola e li deposita sull’altro. Ma a causa delle coltivazioni, le isole sono imprigionate in un unico punto. Questo provoca attriti; la sensazione che ci sia più di quanto possa vedere l’occhio nudo.